Jonge werknemers ontslagen wegens gebrek normen en waarden

Dat bleek zondag uit onderzoek van accountantsorganisatie KPMG onder Nederlandse bedrijven.
De hogere onderwijsinstellingen zijn volgens de helft van de ondervraagde ondernemingen verantwoordelijk voor het gebrek aan normen en waarden. Opleidingen zouden te weinig aandacht besteden aan de ethische vorming van studenten.

Gebrek aan normen en waarden
Bijna de helft van de bedrijven (40 procent) zegt de afgelopen twee jaar een veelbelovende medewerker te hebben ontslagen wegens een gebrek aan normen en waarden. Vooral jongere managers en dan met name mannen, missen volgens veel bedrijven een moreel kompas. Verantwoordelijkheidsgevoel en respect worden volgens de ondernemingen door starters geofferd voor zaken als een snelle carrière, inkomen en status.

De overheid probeert in een reactie op de crisis tevergeefs het gebrek aan moraliteit in het bedrijfsleven te lijf te gaan met nieuwe regelgeving, meent hoogleraar Accountantscontrole en KPMG-partner Philip Wallage. Nieuwe regels helpen volgens Wallage niet tegen menselijk gedrag als hebzucht en het nastreven van het eigen belang. 'Er is echter geen enkele regel die gewenst gedrag van mensen kan afdwingen', aldus de hoogleraar.

Bron: ANP

De belangrijkste maatreglenen in 2010 SZW

Crisis
Het kabinet neemt in 2010 maatregelen om de gevolgen van de economische neergang en de snel groeiende werkloosheid aan te pakken. Investeringen in de inzetbaarheid van werknemers, en ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan moeten zorgen voor een betere arbeidsmarktpositie als de economie weer aantrekt. De jeugdwerkloosheid is als gevolg van de crisis flink opgelopen. Het kabinet wil voorkomen dat jongeren langdurig aan de kant staan en investeert daarom extra in het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt. Het pakket met crisismaatregelen is in 2009 in werking getreden maar wordt ook volop in 2010 gebruikt.

•Bedrijven die voldoende gezond zijn om door de crisis te komen en gespecialiseerde vakkrachten willen behouden, kunnen onder voorwaarden ook in 2010 gebruikmaken van deeltijd-WW. Voor de deeltijd-WW is voor de periode 2009 t/m 2011 bruto € 1 miljard uitgetrokken.

•Werkgevers die elders met ontslag bedreigde werknemer aannemen kunnen hiervoor een omscholingsbonus krijgen van maximaal € 2500 op voorwaarde dat het bedrijf of de instelling er zelf minimaal hetzelfde bedrag bijlegt. Het kabinet trekt hiervoor volgend jaar € 41 miljoen uit.

•Het kabinet stimuleert werknemers die niet beschikken over een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Zij kunnen met behulp van ervaringscertificaten (evc’s) en ervaringsprofielen (evp’s) hun ervaring en kwaliteiten vastleggen, zodat ze meer kans maken op de arbeidsmarkt. Bij elkaar wordt hiervoor € 25 miljoen uitgetrokken in 2010.

•De termijn waarbinnen sectorfondsen-WW eventuele vermogenstekorten als gevolg van de oplopende werkloosheid moeten aanzuiveren wordt verlengd van drie naar vijf jaar. Dit voorkomt voor sectoren die al zwaar getroffen worden door de crisis een grote premiestijging in 2010.

•Dertig regio’s voeren in 2010 op basis van convenanten met het kabinet plannen uit ter bestrijding van jeugdwerkloosheid. Het kabinet trekt daar over meerdere jaren in totaal € 250 miljoen uit. In de 30 regio’s krijgen jongeren hulp en worden zij aangespoord door te leren/studeren en stages te lopen. Lokale overheid en de regionale onderwijsinstellingen en werkgevers werken hier nauw in samen. Jongeren hebben per 1 oktober 2009 het recht van de gemeente een werkleeraanbod te krijgen (wet WIJ).

•De vermogenspositie van een groot aantal pensioenfondsen is door de kredietcrisis verslechterd, waardoor ze minder dan de wettelijk verplichte 105% dekkingsgraad voor hun pensioenverplichtingen hebben. Medio 2010 bekijkt het kabinet met sociale partners of de versoepelde hersteltermijn van vijf jaar (was drie jaar) korter moet of gehandhaafd kan blijven.

•Twee commissies onderzoeken op verzoek van het kabinet de pensioenen. De Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer kijken of de pensioenfondsen de afgelopen jaren verantwoord belegd hebben en of risico’s voldoende af te dekken zijn in het huidige pensioensysteem. Op basis beslist het kabinet medio 2010 na overleg met de Stichting van de Arbeid of aanpassingen noodzakelijk zijn.
Arbeidsparticipatie
Het kabinet zet extra middelen in om de arbeidsparticipatie van jongeren en ouderen te bevorderen.

•Jongeren met een arbeidshandicap die wel perspectief hebben op werk, krijgen maximale ondersteuning bij het vinden van een baan. De nieuwe Werkregeling Wajong die op 1 januari 2010 ingaat, wordt ondersteund met acties richting werkgevers om hen te stimuleren Wajongers in dienst te nemen. Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om de overgang van school naar werk te verbeteren. Het kabinet stelt hiervoor € 125 miljoen beschikbaar in 2010.

•Mensen die niet in staat zijn het minimumloon te verdienen en langdurige ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken, moeten de kans krijgen om gewoon werk te doen. In 2010 starten vier proeven voor mensen in de sociale werkvoorziening (Wsw) over hoe dit kan worden gerealiseerd. Het kabinet heeft hiertoe besloten naar aanleiding van de adviezen van de commissie-De Vries.

•Het kabinet maakt het voor de duur van de crisis mogelijk om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij jongeren tot 27 jaar vaker te verlengen of aan te laten aangaan. Hierdoor ontstaat pas na vier jaar (nu drie) of pas bij een vijfde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (nu vier) recht op een vaste arbeidsovereenkomst. Verwacht wordt dat werkgevers eerder een ingewerkte persoon langer in dienst willen houden dan een nieuwe tijdelijke werknemer aantrekken en inwerken.

•Om te stimuleren dat jongeren onder 23 jaar worden aangenomen bij een werkgever gaat het kabinet de werkgever vrijstellen van premiebetaling en loonbelasting bij werkzaamheden van geringe omvang. Dit zorgt ook voor minder administratieve lasten en een besparing op arbeidskosten.

•De wederzijdse scholingsplicht treedt naar verwachting in 2010 in werking.

•Er ligt een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer om de pensioenleeftijd flexibel te maken. Verder worden arbeidsrechtelijke belemmeringen door het kabinet weggenomen, die het moeilijk maken om langer door te werken.

•Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord in het kader van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën afgesproken de AOW- leeftijd op termijn te verhogen naar 67 jaar. De SER krijgt tot 1 oktober 2009 de tijd om met gelijkwaardige alternatieven te komen.

•In 2010 organiseert de Taskforce Deeltijdplus een slotconferentie over deeltijdwerk en biedt zij haar eindrapport met aanbevelingen aan hoe vrouwen meer uren in deeltijd kunnen werken.

•Het kabinet bekijkt of het mogelijk is om werktijden en verlofregelingen te flexibiliseren, zodat niet alleen meer mensen gaan werken maar ook meer uren gaan werken als ze werk en zorg beter kunnen combineren. Het kabinet komt medio 2010 met een concreet wetsvoorstel.

•Flexibele vormen van arbeid worden steeds belangrijker. Het kabinet beschouwt nieuwe bedrijvigheid door een groeiend aantal zelfstandigen, waaronder veel zzp’ers, als een bron van nieuwe werkgelegenheid en de ontwikkeling van nieuwe producten. Het kabinet zal de SER vragen om na te gaan wat dit betekent voor het beleid van sociale partners en voor het huidige overheidsbeleid.

•Vanaf 1 januari 2010 werken UWV en gemeenten samen binnen de Werkpleinen. Werkgevers worden vanuit één instantie benaderd en werkzoekenden hebben één contactpersoon.

•Omdat de publieke sector (zorg, onderwijs, openbare orde en veiligheid, defensie) veel vacatures heeft, gaat het kabinet regelen dat informatie over vacatures van deze sectoren in alle mobiliteitscentra beschikbaar is.
Overig
•Het kabinet organiseert in 2010 een ministeriële conferentie over kinderarbeid. Het doel is aandacht te vragen voor de nadelige gevolgen van de mondiale crisis voor kinderen in ontwikkelingslanden.

•Vanaf 1 januari 2010 krijgen gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) meer mogelijkheden om door middel van huisbezoeken te controleren of bijstandsgerechtigden en AOW’ers terecht hun uitkering krijgen.

•Per 1 januari 2010 krijgen gemeenten één totaalbedrag voor bijstandsuitkeringen, voor uitkeringen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), voor uitkeringen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), voor uitkeringen voor kunstenaars (WWIK) en voor bijstandverlening aan zelfstandigen (BBZ). Hierdoor neemt de administratieve romplomp voor gemeenten flink af. Voor de uitkeringsontvangers verandert niets.

•Alle gepensioneerden met een onvolledig AOW-pensioen die een inkomen beneden het sociaal minimum hebben, krijgen vanaf 1 januari 2010 van de SVB hun AOW én de aanvulling (WWB65+) uitbetaald.
Bezuinigingen om tegenvallers op te vangen
Voor SZW bedragen de tegenvallers in 2010 € 0,4 miljard en lopen op tot € 0,8 miljard in 2014. Hiervoor moet, volgens de gebruikelijke begrotingsregels, bezuinigd worden. Daarbij draagt SZW bij aan de rijksbrede uitvoeringstegenvallers. In totaal wordt er in 2010 voor € 430 miljoen en in 2011 voor € 835 miljoen bezuinigd. De SZW-tegenvallers komen door extra AOW-uitgaven, hogere uitgaven voor zwangerschapsuitkeringen en een tegenvaller bij de verwachte besparing op de WAO-uitgaven omdat minder mensen alsnog aan de slag kunnen.

Het kabinet dekt de tegenvallers bij SZW met maatregelen bij regelingen die: (tussen haakjes staan de beoogde bezuinigingen vermeld)

1. In de loop van de tijd tot een bovenmatig gebruik hebben geleid:

•de regeling Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen (TOG) wordt via AWBZ-indicatiestelling beperkt tot de groep gehandicapte kinderen voor wie de regeling oorspronkelijk is bedoeld (€ 7 miljoen aan bezuinigingen in 2010, € 31 miljoen in 2011);
•de overheid bespaart op bijstandsuitkeringen doordat rechters ouders zelf meer kinderalimentatie laten betalen (€ 69 miljoen in 2010, € 90 miljoen in 2011).
2. De arbeidsparticipatie kunnen bevorderen:

•de regeling voor AOW-partnertoeslag krijgt een leeftijdsbeperking zodat in de toekomst alleen partners vanaf 55 jaar in aanmerking komen. Jongere partners van AOW-gerechtigden worden zo aangemoedigd te gaan werken (€ 27 miljoen in 2011).
•Er komen maatregelen om het beroep op de vangnetregeling voor de Ziektewet te verminderen; zo wordt onder meer de ziektewetuitkering verrekend met de WW-uitkering (oplopend tot € 33 miljoen in 2014).
3. een selectievere inzet van re-integratiemiddelen bewerkstelligen:

•er komt een korting op de re-integratiebudgetten van gemeenten en UWV (€ 75 miljoen in 2010, € 159 miljoen in 2011). Nu mogen gemeenten een percentage houden van het reïntegratiegeld dat ze over hebben. Dat percentage wordt met deze maatregel verlaagd. Het UWV-budget was eerder al verhoogd in verband met de toenemende instroom aan werkzoekenden; op die verhoging wordt nu een korting toegepast.
•De uitgaven voor uitvoeringskosten van UWV in 2011 stijgen niet, maar blijven gelijk aan 2010 (€ 125 miljoen in 2011).
Daarnaast neemt het kabinet nog een aantal aanvullende bezuinigingsmaatregelen op SZW-terrein:

Zo stijgen in lijn met afspraken in het Aanvullend Beleidsakkoord over matiging bij onder meer lonen en pensioenen de tegemoetkomingen voor AOW-gerechtigden, Anw-gerechtigden en arbeidsongeschikten niet mee met de inflatie (bezuiniging van € 29 miljoen in 2010, € 61 miljoen in 2011). De AOW-partnertoeslag wordt met zes procent verlaagd, waarbij een inkomensgrens de waarborg biedt dat mensen als gevolg van de korting niet in de bijstand komen (€ 74 miljoen in 2011). De AOW-tegemoetkoming wordt verlaagd met een bedrag van € 26 per jaar (€ 75 miljoen in 2010, € 77 miljoen in 2011). Doordat tegelijkertijd de ouderenkorting wordt verhoogd heeft deze maatregel nauwelijks effect op de koopkracht.

Het kabinet zal daarnaast naar wegen zoeken om de tegemoetkomingen in de sociale zekerheid, die geïntroduceerd zijn ter compensatie van de koopkracht als gevolg van wijzigingen in de fiscale sfeer, nog uitsluitend toe te kennen aan uitkeringsgerechtigden in Nederland.

Bron: Ministerie van SZW

Acht megatrends bepalend voor de toekomst van werk

Acht megatrends bepalen de toekomst van het werk en de nieuwe werknemer. Dat stellen Adjiedj Bakas (Trend Office Bakas) en Martijn van der Woude (PiCompany) in De Toekomst van Werk, een boek dat eind november uitkomt.

De acht megatrends waarmee organisaties en professionals rekening moeten houden:

1.De jaren van structurele tekorten op de arbeidsmarkt en baanzekerheid voor de meeste goed opgeleiden, zijn (tijdelijk) voorbij. Voorbij is de tijd dat net afgestudeerde academici waanzinnige startsalarissen eisten, om over emolumenten als dienstauto’s maar niet te spreken. En de bonussen? ‘Das war einmal’. In het nieuwe NU is de arbeidsmarkt radicaal anders.

2.Multinationals zullen gaan besparen op innovatie en creativiteit en start-ups zullen de innovatieve taak van de gevestigde bedrijven overnemen, zoals dat ook tijdens de laatste recessie in de jaren tachtig is gebeurd. Toentertijd lieten organisaties het na te investeren in opkomende zaken als de pc, mobiele telefoon en internet, terwijl start-ups er een doorslaand succes van maakten. Multinationals zullen de geldkraan dichtdraaien en globalisatie zal om­slaan in “slowbalisatie”.

3.Veel werkzoekende emigranten zullen terugkeren naar hun thuisland en nieuwe migratiestromen, bijvoorbeeld uit Ierland en IJsland, zullen op gang komen. De komende paar jaar dalen de prijzen en zal deflatie de norm zijn. Goedkopere fabricage- en productietechnieken zullen van het allergrootste belang worden.

4.De nieuwe tijd zal gedomineerd worden door nanotechnologie, biotechnologie, gene­tica, nieuwe energie, afvalrecycling, aanpassing aan klimaatverandering en robotica. In­dustriële productie wordt voor een groot deel gemechaniseerd of gerobotiseerd. Ook de schaarste van natuurlijke hulpbronnen zal veranderingen in productie en transport te­weegbrengen. Door de verschuiving en opkomst van industrieën zullen er nieuwe banen bijkomen, maar ook veel oude verdwijnen. Vakmanschap wordt gekoesterd en de economi­sche waarde ervan neemt toe. De dienstensector zal wereldwijd de markt domineren.

5.Meer vrouwen aan het werk. Mannen, vooral in technische beroepen, verliezen verhoudingsgewijs vaker hun baan. Vrouwen daarentegen gaan meer werken en meer uren draaien, zeker in zorg en onderwijs, waar zij traditioneel meer vertegenwoordigd zijn. In zorg en onderwijs neemt de banengroei toe door de vergrijzing die in onderwijs ernstiger is dan in menig andere branche. De vervangingsvraag naar arbeid is daar dus onverminderd hoog. Alleen zijn er wel structureel minder kinderen om les aan te geven.

6.Naast de traditionele groepen van werkgevers en werknemers ontstaat een derde, krachtige groep: de freelancers. Grote organisaties zullen niet langer de beste en slimste mensen aantrekken.

7.Mensen willen steeds meer belevenissen in hun leven ervaren en werk is een belevenis, zeker in de postmateriële economie die we nu krijgen. In je leven zeven totaal verschillende beroepen gehad hebben is straks normaal. Tussendoor sabbaticals nemen en je grondig laten omscholen hoort erbij en komt in het voorzieningspakket van het pensionfonds van de toekomst.

8.Het individu als merk zal veel veranderen aan het onderwijs, werk en privé-leven. On­derwijs zal meer worden toegespitst op talenten en zich minder richten op de zwakke punten. De werkplek wordt meer op persoonlijke talenten afgestemd en een staat van ‘flow’ zorgt voor betere prestaties. Deze prestaties zullen worden gediagnosticeerd, ge­vormd en geëvalueerd met behulp van talent assessments. Werk, onderwijs en privé-leven vloeien samen tot een nieuwe levensstijl waarbij het talentprofiel, de kenmerken van het werk en persoonlijke voorkeuren op één lijn liggen. Alle werknemers zullen de mogelijkheid krijgen tot professionals uit te groeien. Bedrijven die niet in mensen investeren, zetten hun merkwaarde als werkgever op het spel.

Acht megatrends bepalend voor de toekomst van werk

Acht megatrends bepalen de toekomst van het werk en de nieuwe werknemer. Dat stellen Adjiedj Bakas (Trend Office Bakas) en Martijn van der Woude (PiCompany) in De Toekomst van Werk, een boek dat eind november uitkomt.

De acht megatrends waarmee organisaties en professionals rekening moeten houden:

1.De jaren van structurele tekorten op de arbeidsmarkt en baanzekerheid voor de meeste goed opgeleiden, zijn (tijdelijk) voorbij. Voorbij is de tijd dat net afgestudeerde academici waanzinnige startsalarissen eisten, om over emolumenten als dienstauto’s maar niet te spreken. En de bonussen? ‘Das war einmal’. In het nieuwe NU is de arbeidsmarkt radicaal anders.

2.Multinationals zullen gaan besparen op innovatie en creativiteit en start-ups zullen de innovatieve taak van de gevestigde bedrijven overnemen, zoals dat ook tijdens de laatste recessie in de jaren tachtig is gebeurd. Toentertijd lieten organisaties het na te investeren in opkomende zaken als de pc, mobiele telefoon en internet, terwijl start-ups er een doorslaand succes van maakten. Multinationals zullen de geldkraan dichtdraaien en globalisatie zal om­slaan in “slowbalisatie”.

3.Veel werkzoekende emigranten zullen terugkeren naar hun thuisland en nieuwe migratiestromen, bijvoorbeeld uit Ierland en IJsland, zullen op gang komen. De komende paar jaar dalen de prijzen en zal deflatie de norm zijn. Goedkopere fabricage- en productietechnieken zullen van het allergrootste belang worden.

4.De nieuwe tijd zal gedomineerd worden door nanotechnologie, biotechnologie, gene­tica, nieuwe energie, afvalrecycling, aanpassing aan klimaatverandering en robotica. In­dustriële productie wordt voor een groot deel gemechaniseerd of gerobotiseerd. Ook de schaarste van natuurlijke hulpbronnen zal veranderingen in productie en transport te­weegbrengen. Door de verschuiving en opkomst van industrieën zullen er nieuwe banen bijkomen, maar ook veel oude verdwijnen. Vakmanschap wordt gekoesterd en de economi­sche waarde ervan neemt toe. De dienstensector zal wereldwijd de markt domineren.

5.Meer vrouwen aan het werk. Mannen, vooral in technische beroepen, verliezen verhoudingsgewijs vaker hun baan. Vrouwen daarentegen gaan meer werken en meer uren draaien, zeker in zorg en onderwijs, waar zij traditioneel meer vertegenwoordigd zijn. In zorg en onderwijs neemt de banengroei toe door de vergrijzing die in onderwijs ernstiger is dan in menig andere branche. De vervangingsvraag naar arbeid is daar dus onverminderd hoog. Alleen zijn er wel structureel minder kinderen om les aan te geven.

6.Naast de traditionele groepen van werkgevers en werknemers ontstaat een derde, krachtige groep: de freelancers. Grote organisaties zullen niet langer de beste en slimste mensen aantrekken.

7.Mensen willen steeds meer belevenissen in hun leven ervaren en werk is een belevenis, zeker in de postmateriële economie die we nu krijgen. In je leven zeven totaal verschillende beroepen gehad hebben is straks normaal. Tussendoor sabbaticals nemen en je grondig laten omscholen hoort erbij en komt in het voorzieningspakket van het pensionfonds van de toekomst.

8.Het individu als merk zal veel veranderen aan het onderwijs, werk en privé-leven. On­derwijs zal meer worden toegespitst op talenten en zich minder richten op de zwakke punten. De werkplek wordt meer op persoonlijke talenten afgestemd en een staat van ‘flow’ zorgt voor betere prestaties. Deze prestaties zullen worden gediagnosticeerd, ge­vormd en geëvalueerd met behulp van talent assessments. Werk, onderwijs en privé-leven vloeien samen tot een nieuwe levensstijl waarbij het talentprofiel, de kenmerken van het werk en persoonlijke voorkeuren op één lijn liggen. Alle werknemers zullen de mogelijkheid krijgen tot professionals uit te groeien. Bedrijven die niet in mensen investeren, zetten hun merkwaarde als werkgever op het spel.

Maak stress op het werk bespreekbaar

Stress op het werk, stress in het privéleven. Hierover praten op het werk, helpt spanningen te verminderen.

Dat blijkt uit onderzoek onder 2700 medewerkers van ABN AMRO. Tussen de 15 en 25 procent van de respondenten heeft in min of meerdere mate last van stress: thuis wordt gepiekerd over het werk en op het werk zijn de gedachten bij thuis. Werknemers met thuiswonende kinderen hebben meer last van stress dan anderen. Dat geldt vooral voor vrouwen, want ook bij tweeverdieners komt het grootste deel van de zorgtaken voor rekening van vrouwen. Omdat steun van leidinggevenden en collega's helpt bij verwerking van stress, luidt een van de aanbevelingen dit bespreekbaar te maken. Het zou bijvoorbeeld een vast onderwerp van gesprek kunnen worden tijdens functioneringsgesprekken. Ook gerichte maatregelen, zoals afspraken maken over werkdruk, flexibele werktijden, het mogelijk maken van thuiswerken of het creëren van een juiste combinatie van arbeid en zorg, kunnen helpen om stress te voorkomen.

Onmisbaarheidscriterium verruimd.

Er is sinds 1 augustus in het Ontslagbesluit tijdelijk meer ruimte gemaakt om bij collectief ontslag kwaliteit voorrang te geven op het afspiegelingsbeginsel om zo onmisbare werknemers makkelijker te kunnen behouden. Hiervoor is het zogeheten onmisbaarheidscriterium verruimd. De verruiming zal tot 1 september 2011 blijven bestaan.

Om een beroep te kunnen doen op het onmisbaarheidscriterium moet u een verzoek indienen bij UWV WERKbedrijf en stukken aanleveren waaruit blijkt dat:

u een duidelijk en continu beleid voert dat eisen aan werknemers stelt voor wat betreft het verwerven van kennis voor het verrichten van werkzaamheden binnen de categorie uitwisselbare functies waarbinnen ontslagen moeten vallen;

aannemelijk is dat de werknemers die u wilt behouden over kennis en kunde beschikken die voor het functioneren van de onderneming zo belangrijk zijn dat in hun plaats andere werknemers binnen dezelfde leeftijdsgroep voor ontslag voorgedragen moeten worden.

bron: Rendement